posten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of posten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: posten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: postend
Past participle - Verleden deelwoord: gepost

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpost
jijpost
hijpost
wijposten
jullieposten
zijposten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepost
jijhebt gepost
hijheeft gepost
wijhebben gepost
julliehebben gepost
zijhebben gepost

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpostte
jijpostte
hijpostte
wijpostten
julliepostten
zijpostten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepost
jijhad gepost
hijhad gepost
wijhadden gepost
julliehadden gepost
zijhadden gepost

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal posten
jijzult posten
hijzal posten
wijzullen posten
julliezullen posten
zijzullen posten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepost hebben
jijzult gepost hebben
hijzal gepost hebben
wijzullen gepost hebben
julliezullen gepost hebben
zijzullen gepost hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou posten
jijzou posten
hijzou posten
wijzouden posten
julliezouden posten
zijzouden posten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepost hebben
jijzou gepost hebben
hijzou gepost hebben
wijzouden gepost hebben
julliezouden gepost hebben
zijzouden gepost hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpost

Verbs similar to 'posten'

kosten, boeten, fusten, gisten, hoesten, kisten, korten, kouten, lasten, lusten,

Translations

  • post, to send mail
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    verzenden
    ontvangen, innen, krijgen
    patrouilleren
    wachtlopen

    Sample Sentences

    Etymology

    From post + -en.

    Additional Information