plegen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of plegen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: plegen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: plegend
Past participle - Verleden deelwoord: gepleegd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpleeg
jijpleegt
hijpleegt
wijplegen
jullieplegen
zijplegen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geplacht; gepleegd
jijhebt geplacht; gepleegd
hijheeft geplacht; gepleegd
wijhebben geplacht; gepleegd
julliehebben geplacht; gepleegd
zijhebben geplacht; gepleegd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikplacht; pleegde
jijplacht; pleegde
hijplacht; pleegde
wijplachten; pleegden
jullieplachten; pleegden
zijplachten; pleegden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geplacht; gepleegd
jijhad geplacht; gepleegd
hijhad geplacht; gepleegd
wijhadden geplacht; gepleegd
julliehadden geplacht; gepleegd
zijhadden geplacht; gepleegd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal plegen
jijzult plegen
hijzal plegen
wijzullen plegen
julliezullen plegen
zijzullen plegen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geplacht; gepleegd hebben
jijzult geplacht; gepleegd hebben
hijzal geplacht; gepleegd hebben
wijzullen geplacht; gepleegd hebben
julliezullen geplacht; gepleegd hebben
zijzullen geplacht; gepleegd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou plegen
jijzou plegen
hijzou plegen
wijzouden plegen
julliezouden plegen
zijzouden plegen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geplacht; gepleegd hebben
jijzou geplacht; gepleegd hebben
hijzou geplacht; gepleegd hebben
wijzouden geplacht; gepleegd hebben
julliezouden geplacht; gepleegd hebben
zijzouden geplacht; gepleegd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpleeg

Verbs conjugated like 'plegen'

plegen,

Verbs similar to 'plegen'

legen, plagen, ploegen, fleren, klagen, kleden, kleven, leggen, lenen, lengen,

Translations

  • accustom, to be wont
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bedrijven
    doen, verrichten

    Sample Sentences

    • [...] ik bij mijne druiven komende, die geheel verstrooid, vertrapt, en ginds en herwaarts gesleept, en grootendeels opgegeten vond. Ik besloot hieruit, dat daar ergens wilde dieren waren, die dezen roof gepleegd hadden, schoon ik niet wist welke. Daar ik vond dat ik ze niet op hoopen leggen kon, en niet in een zak wegdragen, daar ze hierbij vertrapt worden of aan stukken gaan zouden, sloeg ik een anderen [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] niet als eene misdaad beschouwt; hun geweten bestraft er hen niet over. Zij weten niet, dat het eene misdaad is, en bedrijven die niet in spijt der Goddelijke geregtigheid, gelijk wij onze zonden plegen. Zij achten het evenmin eene misdaad, een krijgsgevangene te slagten, als wij eenen os te dooden, en hebben even weinig tegen menschenvleesch als wij tegen schapenvleesch. " (Robinson Crusoe)
    • Nadat dit afgeloopen en al de goederen in mijn klein verblijf gebragt waren, begonnen wij raad te plegen, wat met onze gevangenen te doen; want het was eene zaak van rijp overleg, of wij het wagen zouden hen mede te nemen, of niet, vooral een paar van hen, die in den hoogsten graad onverbeterlijk en [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch plien, later plēgen, originally a class 4 strong verb. Presumably from Old Dutch *plian, from Proto-West Germanic *plehan (“to vouch for”). However, the form plegan already occurs in Old Dutch with -g-, and likewise for Old Saxon plegan and Old High German pflegan, so it is not certain what the exact relationship between the words is. See: Old Saxon 'plegan', Old High German 'pflegan'.

    Verbs referencing "plegen"

    English play, Alemannic German pflääge.

    Additional Information