paneren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of paneren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: paneren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: panerend
Past participle - Verleden deelwoord: gepaneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpaneer
jijpaneert
hijpaneert
wijpaneren
julliepaneren
zijpaneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepaneerd
jijhebt gepaneerd
hijheeft gepaneerd
wijhebben gepaneerd
julliehebben gepaneerd
zijhebben gepaneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpaneerde
jijpaneerde
hijpaneerde
wijpaneerden
julliepaneerden
zijpaneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepaneerd
jijhad gepaneerd
hijhad gepaneerd
wijhadden gepaneerd
julliehadden gepaneerd
zijhadden gepaneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal paneren
jijzult paneren
hijzal paneren
wijzullen paneren
julliezullen paneren
zijzullen paneren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepaneerd hebben
jijzult gepaneerd hebben
hijzal gepaneerd hebben
wijzullen gepaneerd hebben
julliezullen gepaneerd hebben
zijzullen gepaneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou paneren
jijzou paneren
hijzou paneren
wijzouden paneren
julliezouden paneren
zijzouden paneren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepaneerd hebben
jijzou gepaneerd hebben
hijzou gepaneerd hebben
wijzouden gepaneerd hebben
julliezouden gepaneerd hebben
zijzouden gepaneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpaneer

Translations

  • batter, to coat with batter
  • bread, to bread
  • crumb, to cover with crumbs
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French paner. See: French 'paner'.

    Additional Information