jongleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of jongleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: jongleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: jonglerend
Past participle - Verleden deelwoord: gejongleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikjongleer
jijjongleert
hijjongleert
wijjongleren
julliejongleren
zijjongleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gejongleerd
jijhebt gejongleerd
hijheeft gejongleerd
wijhebben gejongleerd
julliehebben gejongleerd
zijhebben gejongleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikjongleerde
jijjongleerde
hijjongleerde
wijjongleerden
julliejongleerden
zijjongleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gejongleerd
jijhad gejongleerd
hijhad gejongleerd
wijhadden gejongleerd
julliehadden gejongleerd
zijhadden gejongleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal jongleren
jijzult jongleren
hijzal jongleren
wijzullen jongleren
julliezullen jongleren
zijzullen jongleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gejongleerd hebben
jijzult gejongleerd hebben
hijzal gejongleerd hebben
wijzullen gejongleerd hebben
julliezullen gejongleerd hebben
zijzullen gejongleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou jongleren
jijzou jongleren
hijzou jongleren
wijzouden jongleren
julliezouden jongleren
zijzouden jongleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gejongleerd hebben
jijzou gejongleerd hebben
hijzou gejongleerd hebben
wijzouden gejongleerd hebben
julliezouden gejongleerd hebben
zijzouden gejongleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijjongleer

Translations

  • juggle, manipulate objects artistically
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French jongler. See: French 'jongler'.

    Additional Information