impliceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of impliceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: impliceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: implicerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïmpliceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikimpliceer
jijimpliceert
hijimpliceert
wijimpliceren
jullieimpliceren
zijimpliceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïmpliceerd
jijhebt geïmpliceerd
hijheeft geïmpliceerd
wijhebben geïmpliceerd
julliehebben geïmpliceerd
zijhebben geïmpliceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikimpliceerde
jijimpliceerde
hijimpliceerde
wijimpliceerden
jullieimpliceerden
zijimpliceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïmpliceerd
jijhad geïmpliceerd
hijhad geïmpliceerd
wijhadden geïmpliceerd
julliehadden geïmpliceerd
zijhadden geïmpliceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal impliceren
jijzult impliceren
hijzal impliceren
wijzullen impliceren
julliezullen impliceren
zijzullen impliceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïmpliceerd hebben
jijzult geïmpliceerd hebben
hijzal geïmpliceerd hebben
wijzullen geïmpliceerd hebben
julliezullen geïmpliceerd hebben
zijzullen geïmpliceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou impliceren
jijzou impliceren
hijzou impliceren
wijzouden impliceren
julliezouden impliceren
zijzouden impliceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïmpliceerd hebben
jijzou geïmpliceerd hebben
hijzou geïmpliceerd hebben
wijzouden geïmpliceerd hebben
julliezouden geïmpliceerd hebben
zijzouden geïmpliceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijimpliceer

Translations

  • imply, to have as a consequence
  • implicate, to connect or involve
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information