decoderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of decoderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: decoderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: decoderend
Past participle - Verleden deelwoord: gedecodeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdecodeer
jijdecodeert
hijdecodeert
wijdecoderen
julliedecoderen
zijdecoderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedecodeerd
jijhebt gedecodeerd
hijheeft gedecodeerd
wijhebben gedecodeerd
julliehebben gedecodeerd
zijhebben gedecodeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdecodeerde
jijdecodeerde
hijdecodeerde
wijdecodeerden
julliedecodeerden
zijdecodeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedecodeerd
jijhad gedecodeerd
hijhad gedecodeerd
wijhadden gedecodeerd
julliehadden gedecodeerd
zijhadden gedecodeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal decoderen
jijzult decoderen
hijzal decoderen
wijzullen decoderen
julliezullen decoderen
zijzullen decoderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedecodeerd hebben
jijzult gedecodeerd hebben
hijzal gedecodeerd hebben
wijzullen gedecodeerd hebben
julliezullen gedecodeerd hebben
zijzullen gedecodeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou decoderen
jijzou decoderen
hijzou decoderen
wijzouden decoderen
julliezouden decoderen
zijzouden decoderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedecodeerd hebben
jijzou gedecodeerd hebben
hijzou gedecodeerd hebben
wijzouden gedecodeerd hebben
julliezouden gedecodeerd hebben
zijzouden gedecodeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdecodeer

Translations

  • decrypt, to convert back to plain text
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    ontcijferen
    ontraadselen, ontrafelen, oplossen

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French decoder. See: French 'decoder'.

    Additional Information