betasten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of betasten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: betasten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: betastend
Past participle - Verleden deelwoord: betast

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbetast
jijbetast
hijbetast
wijbetasten
julliebetasten
zijbetasten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb betast
jijhebt betast
hijheeft betast
wijhebben betast
julliehebben betast
zijhebben betast

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbetastte
jijbetastte
hijbetastte
wijbetastten
julliebetastten
zijbetastten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad betast
jijhad betast
hijhad betast
wijhadden betast
julliehadden betast
zijhadden betast

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal betasten
jijzult betasten
hijzal betasten
wijzullen betasten
julliezullen betasten
zijzullen betasten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal betast hebben
jijzult betast hebben
hijzal betast hebben
wijzullen betast hebben
julliezullen betast hebben
zijzullen betast hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou betasten
jijzou betasten
hijzou betasten
wijzouden betasten
julliezouden betasten
zijzouden betasten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou betast hebben
jijzou betast hebben
hijzou betast hebben
wijzouden betast hebben
julliezouden betast hebben
zijzouden betast hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbetast

Translations

  • grope, to search by feeling
  • grope, to touch closely and sexually
  • handle, touch; feel or hold with the hand
  • paw, to touch someone (with the hands) in a sexual way
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aanraken
    aanstoten, beroeren, toucheren
    voelen
    bevoelen
    zitten
    aanraken

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch betasten. Equivalent to be- + tasten.

    Additional Information