bagatelliseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bagatelliseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bagatelliseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bagatelliserend
Past participle - Verleden deelwoord: gebagatelliseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbagatelliseer
jijbagatelliseert
hijbagatelliseert
wijbagatelliseren
julliebagatelliseren
zijbagatelliseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebagatelliseerd
jijhebt gebagatelliseerd
hijheeft gebagatelliseerd
wijhebben gebagatelliseerd
julliehebben gebagatelliseerd
zijhebben gebagatelliseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbagatelliseerde
jijbagatelliseerde
hijbagatelliseerde
wijbagatelliseerden
julliebagatelliseerden
zijbagatelliseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebagatelliseerd
jijhad gebagatelliseerd
hijhad gebagatelliseerd
wijhadden gebagatelliseerd
julliehadden gebagatelliseerd
zijhadden gebagatelliseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bagatelliseren
jijzult bagatelliseren
hijzal bagatelliseren
wijzullen bagatelliseren
julliezullen bagatelliseren
zijzullen bagatelliseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebagatelliseerd hebben
jijzult gebagatelliseerd hebben
hijzal gebagatelliseerd hebben
wijzullen gebagatelliseerd hebben
julliezullen gebagatelliseerd hebben
zijzullen gebagatelliseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bagatelliseren
jijzou bagatelliseren
hijzou bagatelliseren
wijzouden bagatelliseren
julliezouden bagatelliseren
zijzouden bagatelliseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebagatelliseerd hebben
jijzou gebagatelliseerd hebben
hijzou gebagatelliseerd hebben
wijzouden gebagatelliseerd hebben
julliezouden gebagatelliseerd hebben
zijzouden gebagatelliseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbagatelliseer

Translations

  • bagatellize, regard as a bagatelle
  • downplay, to de-emphasize; to present or portray something as less important or consequential
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • De verdachte bagatelliseerde het gevaar dat had kunnen ontstaan toen hij een machinegeweermagazijn leegschoot op de openbare weg. (The suspect trivialised the danger that could have arisen when he emptied the magazine of a machine gun on a public road.)

    Etymology

    Borrowed from German bagatellisieren, or possibly a direct formation from bagatel + -iseren. See: German, old spelling 'bagatellisieren'.

    Additional Information