zwalken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zwalken

The word "zwalken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zwalken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zwalkend
Past participle - Verleden deelwoord: gezwalkt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzwalk
jijzwalkt
hijzwalkt
wijzwalken
julliezwalken
zijzwalken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezwalkt
jijhebt gezwalkt
hijheeft gezwalkt
wijhebben gezwalkt
julliehebben gezwalkt
zijhebben gezwalkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzwalkte
jijzwalkte
hijzwalkte
wijzwalkten
julliezwalkten
zijzwalkten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezwalkt
jijhad gezwalkt
hijhad gezwalkt
wijhadden gezwalkt
julliehadden gezwalkt
zijhadden gezwalkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zwalken
jijzult zwalken
hijzal zwalken
wijzullen zwalken
julliezullen zwalken
zijzullen zwalken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezwalkt hebben
jijzult gezwalkt hebben
hijzal gezwalkt hebben
wijzullen gezwalkt hebben
julliezullen gezwalkt hebben
zijzullen gezwalkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zwalken
jijzou zwalken
hijzou zwalken
wijzouden zwalken
julliezouden zwalken
zijzouden zwalken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezwalkt hebben
jijzou gezwalkt hebben
hijzou gezwalkt hebben
wijzouden gezwalkt hebben
julliezouden gezwalkt hebben
zijzouden gezwalkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzwalk

Verbs similar to 'zwalken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "zwalken"

English walk.

Additional Information