zinnen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zinnen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zinnen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zinnend
Past participle - Verleden deelwoord: gezonnen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzin
jijzint
hijzint
wijzinnen
julliezinnen
zijzinnen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezonnen
jijhebt gezonnen
hijheeft gezonnen
wijhebben gezonnen
julliehebben gezonnen
zijhebben gezonnen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzon
jijzon
hijzon
wijzonnen
julliezonnen
zijzonnen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezonnen
jijhad gezonnen
hijhad gezonnen
wijhadden gezonnen
julliehadden gezonnen
zijhadden gezonnen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zinnen
jijzult zinnen
hijzal zinnen
wijzullen zinnen
julliezullen zinnen
zijzullen zinnen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezonnen hebben
jijzult gezonnen hebben
hijzal gezonnen hebben
wijzullen gezonnen hebben
julliezullen gezonnen hebben
zijzullen gezonnen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zinnen
jijzou zinnen
hijzou zinnen
wijzouden zinnen
julliezouden zinnen
zijzouden zinnen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezonnen hebben
jijzou gezonnen hebben
hijzou gezonnen hebben
wijzouden gezonnen hebben
julliezouden gezonnen hebben
zijzouden gezonnen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzin

Verbs similar to 'zinnen'

innen, minnen, winnen, zingen, zinken, binden, dienen, dingen, gunnen, hinken,

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

aanstaan
bevallen

Sample Sentences

  • Dat zint mij niet. (I am not satisfied with that.)

Etymology

From Middle Dutch sinnen, from Old Dutch *sinnan, from Proto-West Germanic *sinnan, from Proto-Indo-European *sent-n-, a nasal suffix present from the root *sent- (“to feel”).

Additional Information