wieden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wieden

The word "wieden" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wieden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wiedend
Past participle - Verleden deelwoord: gewied

Cognates

See the 2 cognates of wieden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwied
jijwiedt
hijwiedt
wijwieden
julliewieden
zijwieden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewied
jijhebt gewied
hijheeft gewied
wijhebben gewied
julliehebben gewied
zijhebben gewied

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwiedde
jijwiedde
hijwiedde
wijwiedden
julliewiedden
zijwiedden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewied
jijhad gewied
hijhad gewied
wijhadden gewied
julliehadden gewied
zijhadden gewied

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wieden
jijzult wieden
hijzal wieden
wijzullen wieden
julliezullen wieden
zijzullen wieden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewied hebben
jijzult gewied hebben
hijzal gewied hebben
wijzullen gewied hebben
julliezullen gewied hebben
zijzullen gewied hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wieden
jijzou wieden
hijzou wieden
wijzouden wieden
julliezouden wieden
zijzouden wieden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewied hebben
jijzou gewied hebben
hijzou gewied hebben
wijzouden gewied hebben
julliezouden gewied hebben
zijzouden gewied hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwied

Verbs similar to 'wieden'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch wieden. Equivalent to wied + -en.

Verbs referencing "wieden"

English weed.

Additional Information