walken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of walken

The word "walken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: walken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: walkend
Past participle - Verleden deelwoord: gewalkt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwalk
jijwalkt
hijwalkt
wijwalken
julliewalken
zijwalken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewalkt
jijhebt gewalkt
hijheeft gewalkt
wijhebben gewalkt
julliehebben gewalkt
zijhebben gewalkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwalkte
jijwalkte
hijwalkte
wijwalkten
julliewalkten
zijwalkten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewalkt
jijhad gewalkt
hijhad gewalkt
wijhadden gewalkt
julliehadden gewalkt
zijhadden gewalkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal walken
jijzult walken
hijzal walken
wijzullen walken
julliezullen walken
zijzullen walken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewalkt hebben
jijzult gewalkt hebben
hijzal gewalkt hebben
wijzullen gewalkt hebben
julliezullen gewalkt hebben
zijzullen gewalkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou walken
jijzou walken
hijzou walken
wijzouden walken
julliezouden walken
zijzouden walken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewalkt hebben
jijzou gewalkt hebben
hijzou gewalkt hebben
wijzouden gewalkt hebben
julliezouden gewalkt hebben
zijzouden gewalkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwalk

Verbs similar to 'walken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "walken"

English waulk.

Additional Information