vesten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vesten

The word "vesten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vesten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vestend
Past participle - Verleden deelwoord: gevest

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvest
jijvest
hijvest
wijvesten
jullievesten
zijvesten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevest
jijhebt gevest
hijheeft gevest
wijhebben gevest
julliehebben gevest
zijhebben gevest

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvestte
jijvestte
hijvestte
wijvestten
jullievestten
zijvestten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevest
jijhad gevest
hijhad gevest
wijhadden gevest
julliehadden gevest
zijhadden gevest

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vesten
jijzult vesten
hijzal vesten
wijzullen vesten
julliezullen vesten
zijzullen vesten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevest hebben
jijzult gevest hebben
hijzal gevest hebben
wijzullen gevest hebben
julliezullen gevest hebben
zijzullen gevest hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vesten
jijzou vesten
hijzou vesten
wijzouden vesten
julliezouden vesten
zijzouden vesten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevest hebben
jijzou gevest hebben
hijzou gevest hebben
wijzouden gevest hebben
julliezouden gevest hebben
zijzouden gevest hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvest

Verbs similar to 'vesten'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch vesten, from Old Dutch festen, from Proto-Germanic *fastijaną, from *fastuz (modern vast). See: Proto-Germanic '*fastijaną'.

Additional Information