verzeggen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verzeggen

The word "verzeggen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verzeggen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verzeggend
Past participle - Verleden deelwoord: verzegd

Cognates

See the 3 cognates of verzeggen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverzeg
jijverzegt
hijverzegt
wijverzeggen
jullieverzeggen
zijverzeggen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verzegd
jijhebt verzegd
hijheeft verzegd
wijhebben verzegd
julliehebben verzegd
zijhebben verzegd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverzegde
jijverzegde
hijverzegde
wijverzegden
jullieverzegden
zijverzegden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verzegd
jijhad verzegd
hijhad verzegd
wijhadden verzegd
julliehadden verzegd
zijhadden verzegd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verzeggen
jijzult verzeggen
hijzal verzeggen
wijzullen verzeggen
julliezullen verzeggen
zijzullen verzeggen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verzegd hebben
jijzult verzegd hebben
hijzal verzegd hebben
wijzullen verzegd hebben
julliezullen verzegd hebben
zijzullen verzegd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verzeggen
jijzou verzeggen
hijzou verzeggen
wijzouden verzeggen
julliezouden verzeggen
zijzouden verzeggen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verzegd hebben
jijzou verzegd hebben
hijzou verzegd hebben
wijzouden verzegd hebben
julliezouden verzegd hebben
zijzouden verzegd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverzeg

Verbs similar to 'verzeggen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch verseggen from Old Dutch farseggen. Equivalent to ver- + zeggen.

Verbs referencing "verzeggen"

German, old spelling versagen, English forsay.

Additional Information