verspelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verspelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verspelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verspelend
Past participle - Verleden deelwoord: verspeeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverspeel
jijverspeelt
hijverspeelt
wijverspelen
jullieverspelen
zijverspelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verspeeld
jijhebt verspeeld
hijheeft verspeeld
wijhebben verspeeld
julliehebben verspeeld
zijhebben verspeeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverspeelde
jijverspeelde
hijverspeelde
wijverspeelden
jullieverspeelden
zijverspeelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verspeeld
jijhad verspeeld
hijhad verspeeld
wijhadden verspeeld
julliehadden verspeeld
zijhadden verspeeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verspelen
jijzult verspelen
hijzal verspelen
wijzullen verspelen
julliezullen verspelen
zijzullen verspelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verspeeld hebben
jijzult verspeeld hebben
hijzal verspeeld hebben
wijzullen verspeeld hebben
julliezullen verspeeld hebben
zijzullen verspeeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verspelen
jijzou verspelen
hijzou verspelen
wijzouden verspelen
julliezouden verspelen
zijzouden verspelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verspeeld hebben
jijzou verspeeld hebben
hijzou verspeeld hebben
wijzouden verspeeld hebben
julliezouden verspeeld hebben
zijzouden verspeeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverspeel

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

zoekmaken
verdoen

Sample Sentences

Etymology

Additional Information