verslaan – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verslaan

The word "verslaan" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verslaan
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verslaand
Past participle - Verleden deelwoord: verslagen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikversla
jijverslaat
hijverslaat
wijverslaan
jullieverslaan
zijverslaan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verslagen
jijhebt verslagen
hijheeft verslagen
wijhebben verslagen
julliehebben verslagen
zijhebben verslagen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikversloeg
jijversloeg
hijversloeg
wijversloegen
jullieversloegen
zijversloegen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verslagen
jijhad verslagen
hijhad verslagen
wijhadden verslagen
julliehadden verslagen
zijhadden verslagen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verslaan
jijzult verslaan
hijzal verslaan
wijzullen verslaan
julliezullen verslaan
zijzullen verslaan

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verslagen hebben
jijzult verslagen hebben
hijzal verslagen hebben
wijzullen verslagen hebben
julliezullen verslagen hebben
zijzullen verslagen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verslaan
jijzou verslaan
hijzou verslaan
wijzouden verslaan
julliezouden verslaan
zijzouden verslaan

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verslagen hebben
jijzou verslagen hebben
hijzou verslagen hebben
wijzouden verslagen hebben
julliezouden verslagen hebben
zijzouden verslagen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijversla

Verbs similar to 'verslaan'

Translations

  • beat, to win against
  • best, to beat
  • confound, to defeat
  • defeat, to defeat
  • defeat, to overcome in battle or contest
  • dispatch, to defeat
  • narrate, to give an account
  • whip, to defeat
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Het team wist hun tegenstanders te verslaan in de finale. (The team managed to defeat their opponents in the final.)
    • Zijn broer Hasdrubal trok met een leger naar Italië om Hannibal versterking te bieden, maar faalde, en in 207 v. Chr. versloeg een Romeins leger hem bij de rivier de Metaurus. (His brother Hasdrubal moved with an army to Italy to offer reinforcements to Hannibal, but failed, and in 207 BC a Roman army defeated him at the river Metaurus.) [2014, Robert Hughes, De zeven levens van Rome: een cultuurgeschiedenis van de Eeuwige Stad:]
    • De journalist ging ter plaatse om live te verslaan wat er gebeurde. (The journalist went to the scene to report on what was happening live.)
    • Hij verslaat alle belangrijke gebeurtenissen in zijn dagboek. (He reports on all the important events in his diary.)
    • De verslaggever zal de wedstrijd vanavond op televisie verslaan (The reporter will cover the match on television tonight.)
    • Dit was precies het soort verhaal dat hij in Seoel wilde verslaan. Het was een relatief nieuw fenomeen om het nieuws áchter de sport te verslaan en dat was ontstaan door het besef dat sport niet alleen een kwestie was van plezier en spelen. (This was exactly the kind of story that he wanted to report in Seoul. It was a relatively new phenomenon to report on the news behind sports and that had arisen by the realisation that sports was not just a matter of entertainment and playing.) [2013, Richard Moore, Dopingkanonnen op de 100 meter:]

    Etymology

    From Middle Dutch verslaen. Equivalent to ver- + slaan.

    Verbs referencing "verslaan"

    Afrikaans verslaan, German, old spelling verschlagen.

    Additional Information