uitlenen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitlenen

The word "uitlenen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitlenen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitlenend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgeleend

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikleen uit
jijleent uit
hijleent uit
wijlenen uit
jullielenen uit
zijlenen uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgeleend
jijhebt uitgeleend
hijheeft uitgeleend
wijhebben uitgeleend
julliehebben uitgeleend
zijhebben uitgeleend

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikleende uit
jijleende uit
hijleende uit
wijleenden uit
jullieleenden uit
zijleenden uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgeleend
jijhad uitgeleend
hijhad uitgeleend
wijhadden uitgeleend
julliehadden uitgeleend
zijhadden uitgeleend

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitlenen
jijzult uitlenen
hijzal uitlenen
wijzullen uitlenen
julliezullen uitlenen
zijzullen uitlenen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgeleend hebben
jijzult uitgeleend hebben
hijzal uitgeleend hebben
wijzullen uitgeleend hebben
julliezullen uitgeleend hebben
zijzullen uitgeleend hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitlenen
jijzou uitlenen
hijzou uitlenen
wijzouden uitlenen
julliezouden uitlenen
zijzouden uitlenen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgeleend hebben
jijzou uitgeleend hebben
hijzou uitgeleend hebben
wijzouden uitgeleend hebben
julliezouden uitgeleend hebben
zijzouden uitgeleend hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijleen uit

Verbs similar to 'uitlenen'

Translations

  • lend, to allow to be used temporarily
  • loan, to lend
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From uit + lenen.

    Additional Information