tolken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tolken

The word "tolken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tolken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tolkend
Past participle - Verleden deelwoord: getolkt

Cognates

See the 4 cognates of tolken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktolk
jijtolkt
hijtolkt
wijtolken
jullietolken
zijtolken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getolkt
jijhebt getolkt
hijheeft getolkt
wijhebben getolkt
julliehebben getolkt
zijhebben getolkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktolkte
jijtolkte
hijtolkte
wijtolkten
jullietolkten
zijtolkten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getolkt
jijhad getolkt
hijhad getolkt
wijhadden getolkt
julliehadden getolkt
zijhadden getolkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tolken
jijzult tolken
hijzal tolken
wijzullen tolken
julliezullen tolken
zijzullen tolken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getolkt hebben
jijzult getolkt hebben
hijzal getolkt hebben
wijzullen getolkt hebben
julliezullen getolkt hebben
zijzullen getolkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tolken
jijzou tolken
hijzou tolken
wijzouden tolken
julliezouden tolken
zijzouden tolken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getolkt hebben
jijzou getolkt hebben
hijzou getolkt hebben
wijzouden getolkt hebben
julliezouden getolkt hebben
zijzouden getolkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtolk

Verbs similar to 'tolken'

Translations

  • interpret, to act as an interpreter
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From tolk + -en.

    Verbs referencing "tolken"

    Danish tolke.

    Additional Information