toetsen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of toetsen

The word "toetsen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: toetsen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: toetsend
Past participle - Verleden deelwoord: toegetst

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikts toe
jijtst toe
hijtst toe
wijtsen toe
jullietsen toe
zijtsen toe

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb toegetst
jijhebt toegetst
hijheeft toegetst
wijhebben toegetst
julliehebben toegetst
zijhebben toegetst

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktste toe
jijtste toe
hijtste toe
wijtsten toe
jullietsten toe
zijtsten toe

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad toegetst
jijhad toegetst
hijhad toegetst
wijhadden toegetst
julliehadden toegetst
zijhadden toegetst

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal toetsen
jijzult toetsen
hijzal toetsen
wijzullen toetsen
julliezullen toetsen
zijzullen toetsen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal toegetst hebben
jijzult toegetst hebben
hijzal toegetst hebben
wijzullen toegetst hebben
julliezullen toegetst hebben
zijzullen toegetst hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou toetsen
jijzou toetsen
hijzou toetsen
wijzouden toetsen
julliezouden toetsen
zijzouden toetsen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou toegetst hebben
jijzou toegetst hebben
hijzou toegetst hebben
wijzouden toegetst hebben
julliezouden toegetst hebben
zijzouden toegetst hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijts toe

Verbs similar to 'toetsen'

Translations

  • try, to put to test
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Middle French toucher. Doublet of toucheren. See: Middle French 'toucher'.

    Additional Information