supporteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of supporteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: supporteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: supporterend
Past participle - Verleden deelwoord: gesupporterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksupporter
jijsupportert
hijsupportert
wijsupporteren
julliesupporteren
zijsupporteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesupporterd
jijhebt gesupporterd
hijheeft gesupporterd
wijhebben gesupporterd
julliehebben gesupporterd
zijhebben gesupporterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksupporterde
jijsupporterde
hijsupporterde
wijsupporterden
julliesupporterden
zijsupporterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesupporterd
jijhad gesupporterd
hijhad gesupporterd
wijhadden gesupporterd
julliehadden gesupporterd
zijhadden gesupporterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal supporteren
jijzult supporteren
hijzal supporteren
wijzullen supporteren
julliezullen supporteren
zijzullen supporteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesupporterd hebben
jijzult gesupporterd hebben
hijzal gesupporterd hebben
wijzullen gesupporterd hebben
julliezullen gesupporterd hebben
zijzullen gesupporterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou supporteren
jijzou supporteren
hijzou supporteren
wijzouden supporteren
julliezouden supporteren
zijzouden supporteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesupporterd hebben
jijzou gesupporterd hebben
hijzou gesupporterd hebben
wijzouden gesupporterd hebben
julliezouden gesupporterd hebben
zijzouden gesupporterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsupporter

Translations

  • cheer, cheer
  • root, cheer
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information