structureren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of structureren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: structureren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: structurerend
Past participle - Verleden deelwoord: gestructureerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstructureer
jijstructureert
hijstructureert
wijstructureren
julliestructureren
zijstructureren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestructureerd
jijhebt gestructureerd
hijheeft gestructureerd
wijhebben gestructureerd
julliehebben gestructureerd
zijhebben gestructureerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstructureerde
jijstructureerde
hijstructureerde
wijstructureerden
julliestructureerden
zijstructureerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestructureerd
jijhad gestructureerd
hijhad gestructureerd
wijhadden gestructureerd
julliehadden gestructureerd
zijhadden gestructureerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal structureren
jijzult structureren
hijzal structureren
wijzullen structureren
julliezullen structureren
zijzullen structureren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestructureerd hebben
jijzult gestructureerd hebben
hijzal gestructureerd hebben
wijzullen gestructureerd hebben
julliezullen gestructureerd hebben
zijzullen gestructureerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou structureren
jijzou structureren
hijzou structureren
wijzouden structureren
julliezouden structureren
zijzouden structureren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestructureerd hebben
jijzou gestructureerd hebben
hijzou gestructureerd hebben
wijzouden gestructureerd hebben
julliezouden gestructureerd hebben
zijzouden gestructureerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstructureer

Translations

  • structure, ''(transitive)'' to give structure to; to arrange
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French structurer. Equivalent to structuur + -eren. See: French 'structurer'.

    Additional Information