spuwen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of spuwen

The word "spuwen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: spuwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: spuwend
Past participle - Verleden deelwoord: gespuuwd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspuuw
jijspuuwt
hijspuuwt
wijspuwen
julliespuwen
zijspuwen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gespuuwd
jijhebt gespuuwd
hijheeft gespuuwd
wijhebben gespuuwd
julliehebben gespuuwd
zijhebben gespuuwd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspuuwde
jijspuuwde
hijspuuwde
wijspuuwden
julliespuuwden
zijspuuwden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gespuuwd
jijhad gespuuwd
hijhad gespuuwd
wijhadden gespuuwd
julliehadden gespuuwd
zijhadden gespuuwd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal spuwen
jijzult spuwen
hijzal spuwen
wijzullen spuwen
julliezullen spuwen
zijzullen spuwen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gespuuwd hebben
jijzult gespuuwd hebben
hijzal gespuuwd hebben
wijzullen gespuuwd hebben
julliezullen gespuuwd hebben
zijzullen gespuuwd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou spuwen
jijzou spuwen
hijzou spuwen
wijzouden spuwen
julliezouden spuwen
zijzouden spuwen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gespuuwd hebben
jijzou gespuuwd hebben
hijzou gespuuwd hebben
wijzouden gespuuwd hebben
julliezouden gespuuwd hebben
zijzouden gespuuwd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspuuw

Verbs similar to 'spuwen'

Translations

  • cat, vomit
  • erupt, vomit
  • hurl, vomit
  • spit, to evacuate (saliva or another substance) from the mouth, etc.
  • yak, vomit
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch spuwen, from Old Dutch *spīwan, *spiuwan, from Proto-West Germanic *spīwan, from Proto-Germanic *spīwaną, from Proto-Indo-European *(s)ptyēw- (“to spit, vomit”). See: Proto-Germanic '*spīwaną'.

    Verbs referencing "spuwen"

    English spew, Danish spy, Norwegian spy, Swedish spy, Icelandic spýja, German, old spelling speien, Faroese spýggja, German, Pennsylvania schpaue, Alemannic German spiiwe.

    Additional Information