spurten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of spurten

The word "spurten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: spurten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: spurtend
Past participle - Verleden deelwoord: gespurt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspurt
jijspurt
hijspurt
wijspurten
julliespurten
zijspurten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gespurt
jijhebt gespurt
hijheeft gespurt
wijhebben gespurt
julliehebben gespurt
zijhebben gespurt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspurtte
jijspurtte
hijspurtte
wijspurtten
julliespurtten
zijspurtten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gespurt
jijhad gespurt
hijhad gespurt
wijhadden gespurt
julliehadden gespurt
zijhadden gespurt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal spurten
jijzult spurten
hijzal spurten
wijzullen spurten
julliezullen spurten
zijzullen spurten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gespurt hebben
jijzult gespurt hebben
hijzal gespurt hebben
wijzullen gespurt hebben
julliezullen gespurt hebben
zijzullen gespurt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou spurten
jijzou spurten
hijzou spurten
wijzouden spurten
julliezouden spurten
zijzouden spurten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gespurt hebben
jijzou gespurt hebben
hijzou gespurt hebben
wijzouden gespurt hebben
julliezouden gespurt hebben
zijzouden gespurt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspurt

Verbs similar to 'spurten'

Translations

  • dash, to run short distance
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From spurt, from English spurt, or directly borrowed from English spurt. See: English 'spurt', English 'spurt'.

    Additional Information