spuiten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of spuiten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: spuiten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: spuitend
Past participle - Verleden deelwoord: gespoten

Cognates

See the 3 cognates of spuiten

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspuit
jijspuit
hijspuit
wijspuiten
julliespuiten
zijspuiten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gespoten
jijhebt gespoten
hijheeft gespoten
wijhebben gespoten
julliehebben gespoten
zijhebben gespoten

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspoot
jijspoot
hijspoot
wijspoten
julliespoten
zijspoten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gespoten
jijhad gespoten
hijhad gespoten
wijhadden gespoten
julliehadden gespoten
zijhadden gespoten

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal spuiten
jijzult spuiten
hijzal spuiten
wijzullen spuiten
julliezullen spuiten
zijzullen spuiten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gespoten hebben
jijzult gespoten hebben
hijzal gespoten hebben
wijzullen gespoten hebben
julliezullen gespoten hebben
zijzullen gespoten hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou spuiten
jijzou spuiten
hijzou spuiten
wijzouden spuiten
julliezouden spuiten
zijzouden spuiten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gespoten hebben
jijzou gespoten hebben
hijzou gespoten hebben
wijzouden gespoten hebben
julliezouden gespoten hebben
zijzouden gespoten hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspuit

Translations

  • blow, (of a cetacean) exhale visibly through the spout the seawater
  • inject, to take or be administered something by means of injection
  • spout, to gush forth in a stream
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch spoiten. Probably related to spuwen and/or spuien.

    Verbs referencing "spuiten"

    English spout, Danish sprøjte.

    Additional Information