smoezelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of smoezelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: smoezelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: smoezelend
Past participle - Verleden deelwoord: gesmoezeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksmoezel
jijsmoezelt
hijsmoezelt
wijsmoezelen
julliesmoezelen
zijsmoezelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesmoezeld
jijhebt gesmoezeld
hijheeft gesmoezeld
wijhebben gesmoezeld
julliehebben gesmoezeld
zijhebben gesmoezeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksmoezelde
jijsmoezelde
hijsmoezelde
wijsmoezelden
julliesmoezelden
zijsmoezelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesmoezeld
jijhad gesmoezeld
hijhad gesmoezeld
wijhadden gesmoezeld
julliehadden gesmoezeld
zijhadden gesmoezeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal smoezelen
jijzult smoezelen
hijzal smoezelen
wijzullen smoezelen
julliezullen smoezelen
zijzullen smoezelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesmoezeld hebben
jijzult gesmoezeld hebben
hijzal gesmoezeld hebben
wijzullen gesmoezeld hebben
julliezullen gesmoezeld hebben
zijzullen gesmoezeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou smoezelen
jijzou smoezelen
hijzou smoezelen
wijzouden smoezelen
julliezouden smoezelen
zijzouden smoezelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesmoezeld hebben
jijzou gesmoezeld hebben
hijzou gesmoezeld hebben
wijzouden gesmoezeld hebben
julliezouden gesmoezeld hebben
zijzouden gesmoezeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsmoezel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information