sjoemelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sjoemelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sjoemelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sjoemelend
Past participle - Verleden deelwoord: gesjoemeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksjoemel
jijsjoemelt
hijsjoemelt
wijsjoemelen
julliesjoemelen
zijsjoemelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesjoemeld
jijhebt gesjoemeld
hijheeft gesjoemeld
wijhebben gesjoemeld
julliehebben gesjoemeld
zijhebben gesjoemeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksjoemelde
jijsjoemelde
hijsjoemelde
wijsjoemelden
julliesjoemelden
zijsjoemelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesjoemeld
jijhad gesjoemeld
hijhad gesjoemeld
wijhadden gesjoemeld
julliehadden gesjoemeld
zijhadden gesjoemeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sjoemelen
jijzult sjoemelen
hijzal sjoemelen
wijzullen sjoemelen
julliezullen sjoemelen
zijzullen sjoemelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesjoemeld hebben
jijzult gesjoemeld hebben
hijzal gesjoemeld hebben
wijzullen gesjoemeld hebben
julliezullen gesjoemeld hebben
zijzullen gesjoemeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sjoemelen
jijzou sjoemelen
hijzou sjoemelen
wijzouden sjoemelen
julliezouden sjoemelen
zijzouden sjoemelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesjoemeld hebben
jijzou gesjoemeld hebben
hijzou gesjoemeld hebben
wijzouden gesjoemeld hebben
julliezouden gesjoemeld hebben
zijzouden gesjoemeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsjoemel

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

knoeien
zwendelen

Sample Sentences

Etymology

From German schummeln (“to cheat, to swindle”). See: German, old spelling 'schummeln'.

Additional Information