ronselen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ronselen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ronselen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ronselend
Past participle - Verleden deelwoord: geronseld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikronsel
jijronselt
hijronselt
wijronselen
jullieronselen
zijronselen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geronseld
jijhebt geronseld
hijheeft geronseld
wijhebben geronseld
julliehebben geronseld
zijhebben geronseld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikronselde
jijronselde
hijronselde
wijronselden
jullieronselden
zijronselden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geronseld
jijhad geronseld
hijhad geronseld
wijhadden geronseld
julliehadden geronseld
zijhadden geronseld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ronselen
jijzult ronselen
hijzal ronselen
wijzullen ronselen
julliezullen ronselen
zijzullen ronselen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geronseld hebben
jijzult geronseld hebben
hijzal geronseld hebben
wijzullen geronseld hebben
julliezullen geronseld hebben
zijzullen geronseld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ronselen
jijzou ronselen
hijzou ronselen
wijzouden ronselen
julliezouden ronselen
zijzouden ronselen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geronseld hebben
jijzou geronseld hebben
hijzou geronseld hebben
wijzouden geronseld hebben
julliezouden geronseld hebben
zijzouden geronseld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijronsel

Translations

  • draft, to conscript a person
  • impress, compel (someone) to serve in a military force
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Unknown.

    Additional Information