konkelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of konkelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: konkelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: konkelend
Past participle - Verleden deelwoord: gekonkeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkonkel
jijkonkelt
hijkonkelt
wijkonkelen
julliekonkelen
zijkonkelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekonkeld
jijhebt gekonkeld
hijheeft gekonkeld
wijhebben gekonkeld
julliehebben gekonkeld
zijhebben gekonkeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkonkelde
jijkonkelde
hijkonkelde
wijkonkelden
julliekonkelden
zijkonkelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekonkeld
jijhad gekonkeld
hijhad gekonkeld
wijhadden gekonkeld
julliehadden gekonkeld
zijhadden gekonkeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal konkelen
jijzult konkelen
hijzal konkelen
wijzullen konkelen
julliezullen konkelen
zijzullen konkelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekonkeld hebben
jijzult gekonkeld hebben
hijzal gekonkeld hebben
wijzullen gekonkeld hebben
julliezullen gekonkeld hebben
zijzullen gekonkeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou konkelen
jijzou konkelen
hijzou konkelen
wijzouden konkelen
julliezouden konkelen
zijzouden konkelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekonkeld hebben
jijzou gekonkeld hebben
hijzou gekonkeld hebben
wijzouden gekonkeld hebben
julliezouden gekonkeld hebben
zijzouden gekonkeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkonkel

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

complotteren
intrigeren, konkelfoezen

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "konkelen"

Sranan konkru.

Additional Information