ranselen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ranselen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ranselen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ranselend
Past participle - Verleden deelwoord: geranseld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikransel
jijranselt
hijranselt
wijranselen
jullieranselen
zijranselen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geranseld
jijhebt geranseld
hijheeft geranseld
wijhebben geranseld
julliehebben geranseld
zijhebben geranseld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikranselde
jijranselde
hijranselde
wijranselden
jullieranselden
zijranselden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geranseld
jijhad geranseld
hijhad geranseld
wijhadden geranseld
julliehadden geranseld
zijhadden geranseld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ranselen
jijzult ranselen
hijzal ranselen
wijzullen ranselen
julliezullen ranselen
zijzullen ranselen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geranseld hebben
jijzult geranseld hebben
hijzal geranseld hebben
wijzullen geranseld hebben
julliezullen geranseld hebben
zijzullen geranseld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ranselen
jijzou ranselen
hijzou ranselen
wijzouden ranselen
julliezouden ranselen
zijzouden ranselen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geranseld hebben
jijzou geranseld hebben
hijzou geranseld hebben
wijzouden geranseld hebben
julliezouden geranseld hebben
zijzouden geranseld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijransel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from German ranzeln, from or related to Middle High German rantzen (“to jump wildly, move around”), which is possibly related to Old High German hranca (“tendril”), in which case a doublet of rank. See: German, old spelling 'ranzeln', Middle High German 'rantzen'.

Additional Information