regulariseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of regulariseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: regulariseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: regulariserend
Past participle - Verleden deelwoord: geregulariseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikregulariseer
jijregulariseert
hijregulariseert
wijregulariseren
jullieregulariseren
zijregulariseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geregulariseerd
jijhebt geregulariseerd
hijheeft geregulariseerd
wijhebben geregulariseerd
julliehebben geregulariseerd
zijhebben geregulariseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikregulariseerde
jijregulariseerde
hijregulariseerde
wijregulariseerden
jullieregulariseerden
zijregulariseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geregulariseerd
jijhad geregulariseerd
hijhad geregulariseerd
wijhadden geregulariseerd
julliehadden geregulariseerd
zijhadden geregulariseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal regulariseren
jijzult regulariseren
hijzal regulariseren
wijzullen regulariseren
julliezullen regulariseren
zijzullen regulariseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geregulariseerd hebben
jijzult geregulariseerd hebben
hijzal geregulariseerd hebben
wijzullen geregulariseerd hebben
julliezullen geregulariseerd hebben
zijzullen geregulariseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou regulariseren
jijzou regulariseren
hijzou regulariseren
wijzouden regulariseren
julliezouden regulariseren
zijzouden regulariseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geregulariseerd hebben
jijzou geregulariseerd hebben
hijzou geregulariseerd hebben
wijzouden geregulariseerd hebben
julliezouden geregulariseerd hebben
zijzouden geregulariseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijregulariseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information