poteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of poteren

The word "poteren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: poteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: poterend
Past participle - Verleden deelwoord: gepoteerd

Cognates

See the 2 cognates of poteren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpoteer
jijpoteert
hijpoteert
wijpoteren
julliepoteren
zijpoteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepoteerd
jijhebt gepoteerd
hijheeft gepoteerd
wijhebben gepoteerd
julliehebben gepoteerd
zijhebben gepoteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpoteerde
jijpoteerde
hijpoteerde
wijpoteerden
julliepoteerden
zijpoteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepoteerd
jijhad gepoteerd
hijhad gepoteerd
wijhadden gepoteerd
julliehadden gepoteerd
zijhadden gepoteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal poteren
jijzult poteren
hijzal poteren
wijzullen poteren
julliezullen poteren
zijzullen poteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepoteerd hebben
jijzult gepoteerd hebben
hijzal gepoteerd hebben
wijzullen gepoteerd hebben
julliezullen gepoteerd hebben
zijzullen gepoteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou poteren
jijzou poteren
hijzou poteren
wijzouden poteren
julliezouden poteren
zijzouden poteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepoteerd hebben
jijzou gepoteerd hebben
hijzou gepoteerd hebben
wijzouden gepoteerd hebben
julliezouden gepoteerd hebben
zijzouden gepoteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpoteer

Verbs similar to 'poteren'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "poteren"

English potter.

Additional Information