pleasen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pleasen

The word "pleasen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pleasen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pleasend
Past participle - Verleden deelwoord: gepleast

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpleas
jijpleast
hijpleast
wijpleasen
julliepleasen
zijpleasen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepleast
jijhebt gepleast
hijheeft gepleast
wijhebben gepleast
julliehebben gepleast
zijhebben gepleast

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpleaste
jijpleaste
hijpleaste
wijpleasten
julliepleasten
zijpleasten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepleast
jijhad gepleast
hijhad gepleast
wijhadden gepleast
julliehadden gepleast
zijhadden gepleast

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pleasen
jijzult pleasen
hijzal pleasen
wijzullen pleasen
julliezullen pleasen
zijzullen pleasen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepleast hebben
jijzult gepleast hebben
hijzal gepleast hebben
wijzullen gepleast hebben
julliezullen gepleast hebben
zijzullen gepleast hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pleasen
jijzou pleasen
hijzou pleasen
wijzouden pleasen
julliezouden pleasen
zijzouden pleasen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepleast hebben
jijzou gepleast hebben
hijzou gepleast hebben
wijzouden gepleast hebben
julliezouden gepleast hebben
zijzouden gepleast hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpleas

Verbs similar to 'pleasen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Ze pleaset de hele tijd haar ouders en denkt nooit aan haar eigen welzijn. (She keeps pleasing her parents and never thinks of her own well-being.)

Etymology

Borrowed from English please. See: English 'please'.

Additional Information