overwerken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of overwerken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: overwerken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: overwerkend
Past participle - Verleden deelwoord: overgewerkt

Cognates

See the 2 cognates of overwerken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwerk over
jijwerkt over
hijwerkt over
wijwerken over
julliewerken over
zijwerken over

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb overgewerkt
jijhebt overgewerkt
hijheeft overgewerkt
wijhebben overgewerkt
julliehebben overgewerkt
zijhebben overgewerkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwerkte over
jijwerkte over
hijwerkte over
wijwerkten over
julliewerkten over
zijwerkten over

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad overgewerkt
jijhad overgewerkt
hijhad overgewerkt
wijhadden overgewerkt
julliehadden overgewerkt
zijhadden overgewerkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal overwerken
jijzult overwerken
hijzal overwerken
wijzullen overwerken
julliezullen overwerken
zijzullen overwerken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal overgewerkt hebben
jijzult overgewerkt hebben
hijzal overgewerkt hebben
wijzullen overgewerkt hebben
julliezullen overgewerkt hebben
zijzullen overgewerkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou overwerken
jijzou overwerken
hijzou overwerken
wijzouden overwerken
julliezouden overwerken
zijzouden overwerken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou overgewerkt hebben
jijzou overgewerkt hebben
hijzou overgewerkt hebben
wijzouden overgewerkt hebben
julliezouden overgewerkt hebben
zijzouden overgewerkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwerk over

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Compound of over + werken.

Verbs referencing "overwerken"

English overwork.

Additional Information