Infinitive - Onbepaalde wijs: overstemmen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: overstemmend
Past participle - Verleden deelwoord: overstemd; overgestemd
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | overstem; stem over |
| jij | overstemt; stemt over |
| hij | overstemt; stemt over |
| wij | overstemmen; stemmen over |
| jullie | overstemmen; stemmen over |
| zij | overstemmen; stemmen over |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb overstemd; overgestemd |
| jij | hebt overstemd; overgestemd |
| hij | heeft overstemd; overgestemd |
| wij | hebben overstemd; overgestemd |
| jullie | hebben overstemd; overgestemd |
| zij | hebben overstemd; overgestemd |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | overstemde; stemde over |
| jij | overstemde; stemde over |
| hij | overstemde; stemde over |
| wij | overstemden; stemden over |
| jullie | overstemden; stemden over |
| zij | overstemden; stemden over |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had overstemd; overgestemd |
| jij | had overstemd; overgestemd |
| hij | had overstemd; overgestemd |
| wij | hadden overstemd; overgestemd |
| jullie | hadden overstemd; overgestemd |
| zij | hadden overstemd; overgestemd |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal overstemmen |
| jij | zult overstemmen |
| hij | zal overstemmen |
| wij | zullen overstemmen |
| jullie | zullen overstemmen |
| zij | zullen overstemmen |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal overstemd; overgestemd hebben |
| jij | zult overstemd; overgestemd hebben |
| hij | zal overstemd; overgestemd hebben |
| wij | zullen overstemd; overgestemd hebben |
| jullie | zullen overstemd; overgestemd hebben |
| zij | zullen overstemd; overgestemd hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou overstemmen |
| jij | zou overstemmen |
| hij | zou overstemmen |
| wij | zouden overstemmen |
| jullie | zouden overstemmen |
| zij | zouden overstemmen |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou overstemd; overgestemd hebben |
| jij | zou overstemd; overgestemd hebben |
| hij | zou overstemd; overgestemd hebben |
| wij | zouden overstemd; overgestemd hebben |
| jullie | zouden overstemd; overgestemd hebben |
| zij | zouden overstemd; overgestemd hebben |
| jij | overstem; stem over |