overdoen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of overdoen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: overdoen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: overdoend
Past participle - Verleden deelwoord: overgedaan

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdoe over
jijdoet over
hijdoet over
wijdoen over
julliedoen over
zijdoen over

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb overgedaan
jijhebt overgedaan
hijheeft overgedaan
wijhebben overgedaan
julliehebben overgedaan
zijhebben overgedaan

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdeed over
jijdeed over
hijdeed over
wijdeden over
julliededen over
zijdeden over

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad overgedaan
jijhad overgedaan
hijhad overgedaan
wijhadden overgedaan
julliehadden overgedaan
zijhadden overgedaan

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal overdoen
jijzult overdoen
hijzal overdoen
wijzullen overdoen
julliezullen overdoen
zijzullen overdoen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal overgedaan hebben
jijzult overgedaan hebben
hijzal overgedaan hebben
wijzullen overgedaan hebben
julliezullen overgedaan hebben
zijzullen overgedaan hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou overdoen
jijzou overdoen
hijzou overdoen
wijzouden overdoen
julliezouden overdoen
zijzouden overdoen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou overgedaan hebben
jijzou overgedaan hebben
hijzou overgedaan hebben
wijzouden overgedaan hebben
julliezouden overgedaan hebben
zijzouden overgedaan hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdoe over

Verbs conjugated like 'overdoen'

aandoen, dichtdoen, doen, meedoen, ontdoen, overdoen, voldoen, voordoen,

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

herhalen
herzien
afstaan
verkopen

Sample Sentences

Etymology

From over + doen.

Additional Information