oscilleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of oscilleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: oscilleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: oscillerend
Past participle - Verleden deelwoord: geoscilleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikoscilleer
jijoscilleert
hijoscilleert
wijoscilleren
jullieoscilleren
zijoscilleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geoscilleerd
jijhebt geoscilleerd
hijheeft geoscilleerd
wijhebben geoscilleerd
julliehebben geoscilleerd
zijhebben geoscilleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikoscilleerde
jijoscilleerde
hijoscilleerde
wijoscilleerden
jullieoscilleerden
zijoscilleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geoscilleerd
jijhad geoscilleerd
hijhad geoscilleerd
wijhadden geoscilleerd
julliehadden geoscilleerd
zijhadden geoscilleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal oscilleren
jijzult oscilleren
hijzal oscilleren
wijzullen oscilleren
julliezullen oscilleren
zijzullen oscilleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geoscilleerd hebben
jijzult geoscilleerd hebben
hijzal geoscilleerd hebben
wijzullen geoscilleerd hebben
julliezullen geoscilleerd hebben
zijzullen geoscilleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou oscilleren
jijzou oscilleren
hijzou oscilleren
wijzouden oscilleren
julliezouden oscilleren
zijzouden oscilleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geoscilleerd hebben
jijzou geoscilleerd hebben
hijzou geoscilleerd hebben
wijzouden geoscilleerd hebben
julliezouden geoscilleerd hebben
zijzouden geoscilleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijoscilleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From French osciller. See: French 'osciller'.

Additional Information