opwerpen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opwerpen

The word "opwerpen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opwerpen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opwerpend
Past participle - Verleden deelwoord: opgewerpt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwerp op
jijwerpt op
hijwerpt op
wijwerpen op
julliewerpen op
zijwerpen op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgewerpt
jijhebt opgewerpt
hijheeft opgewerpt
wijhebben opgewerpt
julliehebben opgewerpt
zijhebben opgewerpt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwerpte op
jijwerpte op
hijwerpte op
wijwerpten op
julliewerpten op
zijwerpten op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgewerpt
jijhad opgewerpt
hijhad opgewerpt
wijhadden opgewerpt
julliehadden opgewerpt
zijhadden opgewerpt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opwerpen
jijzult opwerpen
hijzal opwerpen
wijzullen opwerpen
julliezullen opwerpen
zijzullen opwerpen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgewerpt hebben
jijzult opgewerpt hebben
hijzal opgewerpt hebben
wijzullen opgewerpt hebben
julliezullen opgewerpt hebben
zijzullen opgewerpt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opwerpen
jijzou opwerpen
hijzou opwerpen
wijzouden opwerpen
julliezouden opwerpen
zijzouden opwerpen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgewerpt hebben
jijzou opgewerpt hebben
hijzou opgewerpt hebben
wijzouden opgewerpt hebben
julliezouden opgewerpt hebben
zijzouden opgewerpt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwerp op

Verbs similar to 'opwerpen'

Translations

  • toss, to throw with an initial upward direction
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information