opdoeken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opdoeken

The word "opdoeken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opdoeken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opdoekend
Past participle - Verleden deelwoord: opgedoekt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdoek op
jijdoekt op
hijdoekt op
wijdoeken op
julliedoeken op
zijdoeken op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgedoekt
jijhebt opgedoekt
hijheeft opgedoekt
wijhebben opgedoekt
julliehebben opgedoekt
zijhebben opgedoekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdoekte op
jijdoekte op
hijdoekte op
wijdoekten op
julliedoekten op
zijdoekten op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgedoekt
jijhad opgedoekt
hijhad opgedoekt
wijhadden opgedoekt
julliehadden opgedoekt
zijhadden opgedoekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opdoeken
jijzult opdoeken
hijzal opdoeken
wijzullen opdoeken
julliezullen opdoeken
zijzullen opdoeken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgedoekt hebben
jijzult opgedoekt hebben
hijzal opgedoekt hebben
wijzullen opgedoekt hebben
julliezullen opgedoekt hebben
zijzullen opgedoekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opdoeken
jijzou opdoeken
hijzou opdoeken
wijzouden opdoeken
julliezouden opdoeken
zijzouden opdoeken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgedoekt hebben
jijzou opgedoekt hebben
hijzou opgedoekt hebben
wijzouden opgedoekt hebben
julliezouden opgedoekt hebben
zijzouden opgedoekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdoek op

Verbs similar to 'opdoeken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Ik heb besloten om mijn boekhandel op te doeken. (I have decided to shut down my bookstore.)

Etymology

From op (“up”) + doek (“screen, curtain”) + -en.

Additional Information