opbiepen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opbiepen

The word "opbiepen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opbiepen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opbiepend
Past participle - Verleden deelwoord: opgebiept

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbiep op
jijbiept op
hijbiept op
wijbiepen op
julliebiepen op
zijbiepen op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgebiept
jijhebt opgebiept
hijheeft opgebiept
wijhebben opgebiept
julliehebben opgebiept
zijhebben opgebiept

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbiepte op
jijbiepte op
hijbiepte op
wijbiepten op
julliebiepten op
zijbiepten op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgebiept
jijhad opgebiept
hijhad opgebiept
wijhadden opgebiept
julliehadden opgebiept
zijhadden opgebiept

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opbiepen
jijzult opbiepen
hijzal opbiepen
wijzullen opbiepen
julliezullen opbiepen
zijzullen opbiepen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgebiept hebben
jijzult opgebiept hebben
hijzal opgebiept hebben
wijzullen opgebiept hebben
julliezullen opgebiept hebben
zijzullen opgebiept hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opbiepen
jijzou opbiepen
hijzou opbiepen
wijzouden opbiepen
julliezouden opbiepen
zijzouden opbiepen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgebiept hebben
jijzou opgebiept hebben
hijzou opgebiept hebben
wijzouden opgebiept hebben
julliezouden opgebiept hebben
zijzouden opgebiept hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbiep op

Verbs similar to 'opbiepen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

op (“up”) + biepen (“to beep”) (from English beep or independent onomatopoeia) See: English 'beep'.

Additional Information