ontladen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ontladen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ontladen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ontladend
Past participle - Verleden deelwoord: ontladen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikontlaad
jijontlaadt
hijontlaadt
wijontladen
jullieontladen
zijontladen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ontladen
jijhebt ontladen
hijheeft ontladen
wijhebben ontladen
julliehebben ontladen
zijhebben ontladen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikontlaadde
jijontlaadde
hijontlaadde
wijontlaadden
jullieontlaadden
zijontlaadden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ontladen
jijhad ontladen
hijhad ontladen
wijhadden ontladen
julliehadden ontladen
zijhadden ontladen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ontladen
jijzult ontladen
hijzal ontladen
wijzullen ontladen
julliezullen ontladen
zijzullen ontladen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ontladen hebben
jijzult ontladen hebben
hijzal ontladen hebben
wijzullen ontladen hebben
julliezullen ontladen hebben
zijzullen ontladen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ontladen
jijzou ontladen
hijzou ontladen
wijzouden ontladen
julliezouden ontladen
zijzouden ontladen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ontladen hebben
jijzou ontladen hebben
hijzou ontladen hebben
wijzouden ontladen hebben
julliezouden ontladen hebben
zijzouden ontladen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijontlaad

Verbs conjugated like 'ontladen'

aanbraden, afladen, afmalen, beladen, braden, laden, malen, ontladen, vermalen, weven,

Translations

  • discharge, (electricity) the act of releasing an accumulated charge
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    lossen
    uitladen

    Sample Sentences

    Etymology

    From ont- + laden.

    Additional Information