motoriseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of motoriseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: motoriseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: motoriserend
Past participle - Verleden deelwoord: gemotoriseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmotoriseer
jijmotoriseert
hijmotoriseert
wijmotoriseren
julliemotoriseren
zijmotoriseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemotoriseerd
jijhebt gemotoriseerd
hijheeft gemotoriseerd
wijhebben gemotoriseerd
julliehebben gemotoriseerd
zijhebben gemotoriseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmotoriseerde
jijmotoriseerde
hijmotoriseerde
wijmotoriseerden
julliemotoriseerden
zijmotoriseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemotoriseerd
jijhad gemotoriseerd
hijhad gemotoriseerd
wijhadden gemotoriseerd
julliehadden gemotoriseerd
zijhadden gemotoriseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal motoriseren
jijzult motoriseren
hijzal motoriseren
wijzullen motoriseren
julliezullen motoriseren
zijzullen motoriseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemotoriseerd hebben
jijzult gemotoriseerd hebben
hijzal gemotoriseerd hebben
wijzullen gemotoriseerd hebben
julliezullen gemotoriseerd hebben
zijzullen gemotoriseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou motoriseren
jijzou motoriseren
hijzou motoriseren
wijzouden motoriseren
julliezouden motoriseren
zijzouden motoriseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemotoriseerd hebben
jijzou gemotoriseerd hebben
hijzou gemotoriseerd hebben
wijzouden gemotoriseerd hebben
julliezouden gemotoriseerd hebben
zijzouden gemotoriseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmotoriseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French motoriser. See: French 'motoriser'.

Additional Information