kinderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kinderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kinderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kinderend
Past participle - Verleden deelwoord: gekinderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkinder
jijkindert
hijkindert
wijkinderen
julliekinderen
zijkinderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekinderd
jijhebt gekinderd
hijheeft gekinderd
wijhebben gekinderd
julliehebben gekinderd
zijhebben gekinderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkinderde
jijkinderde
hijkinderde
wijkinderden
julliekinderden
zijkinderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekinderd
jijhad gekinderd
hijhad gekinderd
wijhadden gekinderd
julliehadden gekinderd
zijhadden gekinderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kinderen
jijzult kinderen
hijzal kinderen
wijzullen kinderen
julliezullen kinderen
zijzullen kinderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekinderd hebben
jijzult gekinderd hebben
hijzal gekinderd hebben
wijzullen gekinderd hebben
julliezullen gekinderd hebben
zijzullen gekinderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kinderen
jijzou kinderen
hijzou kinderen
wijzouden kinderen
julliezouden kinderen
zijzouden kinderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekinderd hebben
jijzou gekinderd hebben
hijzou gekinderd hebben
wijzouden gekinderd hebben
julliezouden gekinderd hebben
zijzouden gekinderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkinder

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information