bemiddelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bemiddelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bemiddelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bemiddelend
Past participle - Verleden deelwoord: bemiddeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbemiddel
jijbemiddelt
hijbemiddelt
wijbemiddelen
julliebemiddelen
zijbemiddelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bemiddeld
jijhebt bemiddeld
hijheeft bemiddeld
wijhebben bemiddeld
julliehebben bemiddeld
zijhebben bemiddeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbemiddelde
jijbemiddelde
hijbemiddelde
wijbemiddelden
julliebemiddelden
zijbemiddelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bemiddeld
jijhad bemiddeld
hijhad bemiddeld
wijhadden bemiddeld
julliehadden bemiddeld
zijhadden bemiddeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bemiddelen
jijzult bemiddelen
hijzal bemiddelen
wijzullen bemiddelen
julliezullen bemiddelen
zijzullen bemiddelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bemiddeld hebben
jijzult bemiddeld hebben
hijzal bemiddeld hebben
wijzullen bemiddeld hebben
julliezullen bemiddeld hebben
zijzullen bemiddeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bemiddelen
jijzou bemiddelen
hijzou bemiddelen
wijzouden bemiddelen
julliezouden bemiddelen
zijzouden bemiddelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bemiddeld hebben
jijzou bemiddeld hebben
hijzou bemiddeld hebben
wijzouden bemiddeld hebben
julliezouden bemiddeld hebben
zijzouden bemiddeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbemiddel

Translations

  • moderate, to act as a moderator
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From be- + middelen.

    Additional Information