lijsten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lijsten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lijsten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lijstend
Past participle - Verleden deelwoord: gelijst

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklijst
jijlijst
hijlijst
wijlijsten
jullielijsten
zijlijsten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelijst
jijhebt gelijst
hijheeft gelijst
wijhebben gelijst
julliehebben gelijst
zijhebben gelijst

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklijstte
jijlijstte
hijlijstte
wijlijstten
jullielijstten
zijlijstten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelijst
jijhad gelijst
hijhad gelijst
wijhadden gelijst
julliehadden gelijst
zijhadden gelijst

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal lijsten
jijzult lijsten
hijzal lijsten
wijzullen lijsten
julliezullen lijsten
zijzullen lijsten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelijst hebben
jijzult gelijst hebben
hijzal gelijst hebben
wijzullen gelijst hebben
julliezullen gelijst hebben
zijzullen gelijst hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou lijsten
jijzou lijsten
hijzou lijsten
wijzouden lijsten
julliezouden lijsten
zijzouden lijsten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelijst hebben
jijzou gelijst hebben
hijzou gelijst hebben
wijzouden gelijst hebben
julliezouden gelijst hebben
zijzouden gelijst hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlijst

Verbs similar to 'lijsten'

bijten, gisten, hijsen, inlijsten, kisten, lasten, lichten, lijden, lijken, lijmen,

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information