kwetteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kwetteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kwetteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kwetterend
Past participle - Verleden deelwoord: gekwetterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkwetter
jijkwettert
hijkwettert
wijkwetteren
julliekwetteren
zijkwetteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekwetterd
jijhebt gekwetterd
hijheeft gekwetterd
wijhebben gekwetterd
julliehebben gekwetterd
zijhebben gekwetterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkwetterde
jijkwetterde
hijkwetterde
wijkwetterden
julliekwetterden
zijkwetterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekwetterd
jijhad gekwetterd
hijhad gekwetterd
wijhadden gekwetterd
julliehadden gekwetterd
zijhadden gekwetterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kwetteren
jijzult kwetteren
hijzal kwetteren
wijzullen kwetteren
julliezullen kwetteren
zijzullen kwetteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekwetterd hebben
jijzult gekwetterd hebben
hijzal gekwetterd hebben
wijzullen gekwetterd hebben
julliezullen gekwetterd hebben
zijzullen gekwetterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kwetteren
jijzou kwetteren
hijzou kwetteren
wijzouden kwetteren
julliezouden kwetteren
zijzouden kwetteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekwetterd hebben
jijzou gekwetterd hebben
hijzou gekwetterd hebben
wijzouden gekwetterd hebben
julliezouden gekwetterd hebben
zijzouden gekwetterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkwetter

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

schetteren
snerpen, tetteren, toeteren

Sample Sentences

Etymology

From earlier queteren, from Middle Dutch *queteren (attested in Middle Dutch queteringhe (“chattering, chit-chat”)). Cognate with West Frisian kwitterje, kwetterje (“to chatter”), Saterland Frisian kwetelje, kwättelje (“to jabber”), German Low German queteln (“to chatter, jabber”), German quasseln (“to chatter, babble”). Perhaps ultimately onomatopoeic. See: Frisian, Saterlandic 'kwetelje', German, old spelling 'quasseln'.

Verbs referencing "kwetteren"

English twitter.

Additional Information