kukelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kukelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kukelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kukelend
Past participle - Verleden deelwoord: gekukeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkukel
jijkukelt
hijkukelt
wijkukelen
julliekukelen
zijkukelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekukeld
jijhebt gekukeld
hijheeft gekukeld
wijhebben gekukeld
julliehebben gekukeld
zijhebben gekukeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkukelde
jijkukelde
hijkukelde
wijkukelden
julliekukelden
zijkukelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekukeld
jijhad gekukeld
hijhad gekukeld
wijhadden gekukeld
julliehadden gekukeld
zijhadden gekukeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kukelen
jijzult kukelen
hijzal kukelen
wijzullen kukelen
julliezullen kukelen
zijzullen kukelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekukeld hebben
jijzult gekukeld hebben
hijzal gekukeld hebben
wijzullen gekukeld hebben
julliezullen gekukeld hebben
zijzullen gekukeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kukelen
jijzou kukelen
hijzou kukelen
wijzouden kukelen
julliezouden kukelen
zijzouden kukelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekukeld hebben
jijzou gekukeld hebben
hijzou gekukeld hebben
wijzouden gekukeld hebben
julliezouden gekukeld hebben
zijzouden gekukeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkukel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch kokelen (“to trick, betray”). Perhaps related to goochelen.

Additional Information