duvelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of duvelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: duvelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: duvelend
Past participle - Verleden deelwoord: geduveld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikduvel
jijduvelt
hijduvelt
wijduvelen
jullieduvelen
zijduvelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geduveld
jijhebt geduveld
hijheeft geduveld
wijhebben geduveld
julliehebben geduveld
zijhebben geduveld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikduvelde
jijduvelde
hijduvelde
wijduvelden
jullieduvelden
zijduvelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geduveld
jijhad geduveld
hijhad geduveld
wijhadden geduveld
julliehadden geduveld
zijhadden geduveld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal duvelen
jijzult duvelen
hijzal duvelen
wijzullen duvelen
julliezullen duvelen
zijzullen duvelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geduveld hebben
jijzult geduveld hebben
hijzal geduveld hebben
wijzullen geduveld hebben
julliezullen geduveld hebben
zijzullen geduveld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou duvelen
jijzou duvelen
hijzou duvelen
wijzouden duvelen
julliezouden duvelen
zijzouden duvelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geduveld hebben
jijzou geduveld hebben
hijzou geduveld hebben
wijzouden geduveld hebben
julliezouden geduveld hebben
zijzouden geduveld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijduvel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information