koren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of koren

The word "koren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: koren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: korend
Past participle - Verleden deelwoord: gekoord

Cognates

See the 2 cognates of koren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkoor
jijkoort
hijkoort
wijkoren
julliekoren
zijkoren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekoord
jijhebt gekoord
hijheeft gekoord
wijhebben gekoord
julliehebben gekoord
zijhebben gekoord

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkoorde
jijkoorde
hijkoorde
wijkoorden
julliekoorden
zijkoorden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekoord
jijhad gekoord
hijhad gekoord
wijhadden gekoord
julliehadden gekoord
zijhadden gekoord

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal koren
jijzult koren
hijzal koren
wijzullen koren
julliezullen koren
zijzullen koren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekoord hebben
jijzult gekoord hebben
hijzal gekoord hebben
wijzullen gekoord hebben
julliezullen gekoord hebben
zijzullen gekoord hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou koren
jijzou koren
hijzou koren
wijzouden koren
julliezouden koren
zijzouden koren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekoord hebben
jijzou gekoord hebben
hijzou gekoord hebben
wijzouden gekoord hebben
julliezouden gekoord hebben
zijzouden gekoord hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkoor

Verbs similar to 'koren'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch coren.

Verbs referencing "koren"

English corn.

Additional Information