hotsen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hotsen

The word "hotsen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hotsen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hotsend
Past participle - Verleden deelwoord: gehotst

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhots
jijhotst
hijhotst
wijhotsen
julliehotsen
zijhotsen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehotst
jijhebt gehotst
hijheeft gehotst
wijhebben gehotst
julliehebben gehotst
zijhebben gehotst

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhotste
jijhotste
hijhotste
wijhotsten
julliehotsten
zijhotsten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehotst
jijhad gehotst
hijhad gehotst
wijhadden gehotst
julliehadden gehotst
zijhadden gehotst

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hotsen
jijzult hotsen
hijzal hotsen
wijzullen hotsen
julliezullen hotsen
zijzullen hotsen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehotst hebben
jijzult gehotst hebben
hijzal gehotst hebben
wijzullen gehotst hebben
julliezullen gehotst hebben
zijzullen gehotst hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hotsen
jijzou hotsen
hijzou hotsen
wijzouden hotsen
julliezouden hotsen
zijzouden hotsen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehotst hebben
jijzou gehotst hebben
hijzou gehotst hebben
wijzouden gehotst hebben
julliezouden gehotst hebben
zijzouden gehotst hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhots

Verbs similar to 'hotsen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "hotsen"

English hod.

Additional Information