hosten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hosten

The word "hosten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hosten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hostend
Past participle - Verleden deelwoord: gehost

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhost
jijhost
hijhost
wijhosten
julliehosten
zijhosten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehost
jijhebt gehost
hijheeft gehost
wijhebben gehost
julliehebben gehost
zijhebben gehost

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhostte
jijhostte
hijhostte
wijhostten
julliehostten
zijhostten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehost
jijhad gehost
hijhad gehost
wijhadden gehost
julliehadden gehost
zijhadden gehost

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hosten
jijzult hosten
hijzal hosten
wijzullen hosten
julliezullen hosten
zijzullen hosten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehost hebben
jijzult gehost hebben
hijzal gehost hebben
wijzullen gehost hebben
julliezullen gehost hebben
zijzullen gehost hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hosten
jijzou hosten
hijzou hosten
wijzouden hosten
julliezouden hosten
zijzouden hosten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehost hebben
jijzou gehost hebben
hijzou gehost hebben
wijzouden gehost hebben
julliezouden gehost hebben
zijzouden gehost hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhost

Verbs similar to 'hosten'

Translations

  • host, computing: run software for a remote user or process
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from English host. See: English 'host'.

    Additional Information